Omkering
Een omkering is een akkoord dat wordt gespeeld met een andere noot dan de grondtoon als laagste noot, zodat het akkoord zijn naam houdt maar een andere bas en een andere vorm krijgt.
Hoe ziet een omkering eruit?
Neem C majeur, C–E–G. Welke noot onderaan ligt, bepaalt de omkering:
| Positie | Basnoot | Noten, van onder naar boven | Akkoordsymbool |
|---|---|---|---|
| Grondligging | de grondtoon, C | C–E–G | C |
| Eerste omkering | de terts, E | E–G–C | C/E |
| Tweede omkering | de kwint, G | G–C–E | C/G |
Een septiemakkoord heeft vier noten en dus nog een omkering meer: in de derde omkering ligt de septiem in de bas. G7 (G–B–D–F) met F onderaan schrijf je als G7/F.
Alleen de bas telt. C–G–E en C–E–G staan allebei in grondligging, omdat C nog steeds de laagste noot is; de bovenste noten anders verdelen verandert de ligging, niet de omkering.
Hoe hoor je een omkering?
Luister naar de bas alleen. Grondligging klinkt het meest in rust, en daar eindigen stukken meestal. Eerste en tweede omkering klinken lichter en minder af, en daarom duiken ze midden in een zin op.
Het duidelijkst hoor je ze in een bas die stapsgewijs loopt. Een bas die C, B, A speelt onder de akkoorden C, G/B, Am gebruikt het G-akkoord in eerste omkering, zodat de bas noot voor noot kan bewegen in plaats van te springen.
Wat wordt het vaakst verkeerd begrepen?
Een omkering als een ander akkoord zien. E–G–C is geen E-akkoord: het is C majeur met E in de bas. Benoem het akkoord aan de hand van zijn drie noten, en benoem daarna de omkering aan de hand van de onderste. Dat zijn twee aparte vragen.
Probeer het zelf: de les over omkeringen mengt alle vier de akkoordsoorten met omkeringen erbij, en bij Akkoorden bouwen speel je dezelfde akkoorden met een andere noot in de bas op je eigen instrument.